Op 16 september 2011, de vrijdag voor Prinsjesdag, is de inhoud van het Belastingplan 2012 bekend geworden. Het bestaat uit de volgende wetsvoorstellen:
- het Belastingplan zelf;
- Overige fiscale maatregelen 2012;
- Geefwet;
- Wet uitwerking autobrief;
- Wet toepassing dwangsomregeling toeslagen.
Dit jaar staan de voorgestelde fiscale maatregelen in het teken van een eenvoudiger, meer solide en meer fraudebestendig belastingstelsel. Veel van deze voorgestelde maatregelen treden in werking op 1 januari 2012.
Vennootschapsbelasting
Beperking excessieve renteaftrek overnameholdings
Zoals reeds aangekondigd in de Fiscale agenda, wordt voor boekjaren aanvangend op of na 1 januari 2012 een aftrekbeperking voor de rente in verband met overnames van kracht wanneer een overname wordt gefinancierd met vreemd vermogen en de overnemende partij en de target een fiscale eenheid vennootschapsbelasting aangaan. Anders dan bij al bestaande rente-aftrekbeperkende bepalingen ziet de nieuwe bepaling (artikel 15ad Wet Vpb 1969) ook op rente die verband houdt met van derdepartijen verkregen financiering. De aftrekbeperking geldt slechts voor het bedrag van de rente dat de hoogste van een aantal limieten overschrijdt. Deze limieten zien er als volgt uit:
- Tot een bedrag van € 1.000.000 is de rente in ieder geval aftrekbaar.
- De eigen winst van de overnemende partij voor aftrek van de acquisitierente. Voor de bepaling van de omvang van de eigen winst wordt geen rekening gehouden met de winst van de te voegen target. Zijn er in het verleden al met vreemd vermogen gefinancierde acquisities geweest die zijn gevoegd in de fiscale eenheid, dan mag de winst van die acquisities niet worden meegenomen bij de bepaling van de omvang van de eigen winst ter bepaling van de aftrekbaarheid van de rente die betrekking heeft op de nieuwe acquisitie.
- De rente is ook aftrekbaar voor zover de debt-equity-ratio van de fiscale eenheid binnen een bepaalde marge blijft. Deze ratio bedraagt 2:1. Daarbij moet worden bedacht dat de waarde van door de fiscale eenheid gehouden deelnemingen, ongeacht de wijze waarop zij zijn gefinancierd en ongeacht de vraag op welk niveau zij zich binnen de fiscale eenheid bevinden, op de equity in mindering moet worden gebracht; dit geldt ook voor de fiscale reserves. Voor toepassing van de ratio worden rentedragende vorderingen en schulden niet gesaldeerd. Positief is dat bij de bepaling van de omvang van de equity het zogenoemde goodwillgat fiscale eenheid wordt gerepareerd, zij het dat de bij te tellen goodwill over een periode van tien jaar wordt afgeschreven (waarbij in het jaar van voeging het goodwillgat volledig wordt opgeteld bij het eigen vermogen, het jaar daarna voor 90%, enzovoort).
De in een jaar niet-aftrekbare overnamerente wordt overgebracht naar het volgende jaar en in dat jaar weer getoetst aan de aftrekbeperking. Daarbij wordt voor de doorgeschoven rente niet opnieuw rekening gehouden met de franchise van € 1.000.000 en met de 'thincap-escape'. Aftrek van de niet-aftrekbare overnamerente in het volgende jaar is dus mogelijk voor zover de gestalde overnamerente in dat volgende jaar kan worden betaald uit de ‘eigen’ winst van de overnameholding.
Voor bestaande fiscale eenheden is er belangrijk overgangsrecht. De aftrekbeperking is niet van toepassing op de financiering van acquisities die voor 1 januari 2012 zijn opgenomen in een fiscale eenheid.
Wanneer geen fiscale eenheid met de target wordt aangegaan, maar daarmee een juridische fusie plaatsvindt of een juridische splitsing, worden flankerende maatregelen geïntroduceerd. Ook hier geldt dat het moet gaan om fusies en splitsingen die plaatsvinden op of na 1 januari 2012.
Wij wijzen u op de door KPMG Meijburg & Co ontwikkelde 'web-basedtool', waarmee u in een handomdraai de impact van het wetsvoorstel op uw situatie kunt (laten) berekenen.
Nog geen reparatie van het zogenoemde Bosal-gat
De Prinsjesdagvoorstellen bevatten geen bepaling die ziet op reparatie van het zogenoemde Bosal-gat, de rente die verband houdt met de acquisitie van deelnemingen waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is. Nadat het zogenoemde Topteam Hoofdkantoren in april 2011 had geadviseerd om verstandig met dit punt om te gaan – alleen als sprake zou zijn van misbruiksituaties zou de wetgever in moeten grijpen – heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen waarin reparatie van het gat werd bepleit. Een deel van de verwachte budgettaire opbrengst van de reparatie van het gat was ook ingezet bij de dekking van de tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting voor woningen. Toch is er thans nog geen wetsvoorstel. Of er op dit vlak nog concrete acties komen, is niet duidelijk. Uit de stukken blijkt wel dat voor 2012 budgettaire opbrengst is ingeboekt.
Bestaande renteaftrek beperkende maatregelen
De bestaande maatregelen (artikel 10a en de thincap-bepaling van artikel 10d Wet Vpb 1969) blijven bestaan, maar ondergaan wel technische aanpassing in verband met de komende objectvrijstelling voor vaste inrichtingen.
Objectvrijstelling vaste inrichtingen
Zoals reeds aangekondigd in de Fiscale agenda, zal de bestaande systematiek rond de behandeling van buitenlandse vaste inrichtingen met ingang van 1 januari 2012 worden gewijzigd. Onder de bestaande systematiek komt een buitenlands vaste-inrichtingsverlies in mindering op het belastbaar bedrag en leidt de vaste-inrichtingswinst tot een vrijstelling over de vennootschapsbelasting die over de wereldwinst is verschuldigd. In plaats daarvan wordt een zogenoemde objectvrijstelling ingevoerd. De bezittingen en schulden van een buitenlandse vaste inrichting blijven tot de fiscale balans van de belastingplichtige horen, maar de winst die toerekenbaar is aan de vaste inrichting wordt geëlimineerd uit de belastbare winst, net als bijvoorbeeld bij toepassing van de deelnemingsvrijstelling. Belangrijkste praktische gevolg van de nieuwe systematiek is dat buitenlandse vaste-inrichtingsverliezen in beginsel – anders dan voorheen – niet meer aftrekbaar zijn. Dit geldt ook voor de rente op financieringen die verband houden met een buitenlandse vaste inrichting. Als de buitenlandse activiteiten worden gestaakt en per saldo verliezen zijn geleden met die activiteit, kan het stakingsverlies in beginsel wel worden afgetrokken. Dit gaat gepaard met allerlei flankerende maatregelen om oneigenlijk gebruik tegen te gaan, vergelijkbaar met die bij de liquidatieverliesregeling van deelnemingen, Ook zijn er zogenoemde 'recapture' maatregelen wanneer binnen een bepaalde periode na een staking in het betreffende land weer nieuwe activiteiten worden ontplooid door de belastingplichtige of met hem verbonden lichamen. Voor zogenoemde passieve vaste inrichtingen gelden afwijkende bepalingen.
Voor per 31 december 2011 gestalde of in te halen buitenlandse resultaten gelden overgangsmaatregelen.
R&D-faciliteit
De in het kader van de rapportage door de zogenoemde Topteams aangekondigde R&D-faciliteit wordt op zijn vroegst pas in de loop van 2012 verwacht.
Buitenlandse belastingplicht aanmerkelijk belang
Buitenlandse entiteiten die een belang van meer dan 5% in een in Nederland gevestigde vennootschap of coöperatie houden, zijn in beginsel onderworpen aan de Nederlandse vennootschapsbelasting, tenzij het belang tot een ondernemingsvermogen behoort. Nederland ziet in het kader van een belastingverdrag vaak af van deze heffingsbevoegdheid. In de praktijk wordt al geruime tijd aangedrongen op afschaffing van deze belastingplicht, vooral in EU-situaties. In het wetsvoorstel wordt nu voorgesteld dat Nederland alleen in specifieke misbruiksituaties het heffingsrecht zal handhaven. Dit is onder meer het geval indien het gaat om een niet tot een ondernemingsvermogen behorend aanmerkelijk belang in een coöperatie, waarbij het doorslaggevend belang voor het gebruik van de coöperatie is gelegen in het vermijden van Nederlandse dividendbelasting.
Dividendbelasting
Inhoudingsplicht coöperaties
In het huidige regime zijn uitdelingen door coöperaties niet onderworpen aan dividendbelasting. In het wetsvoorstel wordt voorgesteld om dividendbelasting te heffen in misbruiksituaties. Het tussenschuiven van een coöperatie om dividendbelasting of buitenlandse belasting te ontgaan wordt beschouwd als misbruik. Dividendbelasting is niet verschuldigd indien het lidmaatschapsrecht behoort tot het ondernemingsvermogen van het desbetreffende lid, behalve voor zover oude winsten worden uitgedeeld. Dat laatste wil zeggen: uit de periode voorafgaande aan de tussenschuiving van de coöperatie.
Teruggaaf dividendbelasting aan pensioenfondsen in derdelanden
Thans geldt een teruggaafregeling voor dividendbelasting die is ingehouden ten laste van in de vennootschapsbelasting vrijgestelde rechtspersonen. In verband met Europees recht is die regeling al uitgebreid tot vergelijkbare lichamen gevestigd in de EU en de EER (IJsland, Noorwegen en Liechtenstein). In de praktijk gaat het vooral om pensioenfondsen. Omdat de vrijheid van kapitaalverkeer ook geldt in de verhouding tot derdelanden, is de regeling verder uitgebreid tot uitdelingen aan vergelijkbare lichamen (pensioenfondsen) in derdelanden, mits:
(i) met het derdeland een verdrag is gesloten dat voorziet in de uitwisseling van inlichtingen; en
(ii) het gaat om portfoliobelangen.
Loonheffing
Uitvraag jaarloongegevens
De tijdelijke regeling voor de uitvraag van loongegevens wordt met ingang van 1 januari 2012 omgezet in een definitieve regeling. Een inhoudelijke wijziging is niet beoogd.
Loon over
De tijdelijke ‘loon over-regeling' wordt omgezet in een structurele regeling. Op basis van deze regeling kan loon dat in 2012 wordt betaald maar betrekking heeft op al verstreken loontijdvakken, binnen het kalenderjaar 2012 worden toegerekend aan het tijdvak van uitbetaling. Voorwaarde is dat door inhoudingsplichtigen een bestendige gedragslijn wordt gevolgd.
Afdrachtvermindering onderwijs (verduidelijking)
Wanneer de inhoudingsplichtige en het (erkende) leerbedrijf niet dezelfde entiteit zijn, kan de afdrachtvermindering worden toegepast als een overeenkomst van opdracht is gesloten tussen de inhoudingsplichtige en het erkende leerbedrijf. Daarin is onder meer vastgelegd dat het voordeel van de afdrachtvermindering toekomt aan het leerbedrijf. De regeling geldt voor overeenkomsten van opdracht die ingaan op of na 1 januari 2012.
S&O-afdrachtvermindering
De S&O-afdrachtvermindering is een fiscale stimuleringsregeling waarmee de Nederlandse overheid een deel van de loonkosten voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O) compenseert door middel van een vermindering van de af te dragen loonheffingen die verband houden met S&O. In 2012 geldt voor de eerste € 110.000 aan S&O-loonkosten een korting van 42% (60% voor starters) en daarboven 14%. De maximale afdrachtvermindering per inhoudingsplichtige blijft € 14.000.000. Voor 2013 gaat voor de eerste € 150.000 aan S&O-loonkosten een korting van 45% (60% voor starters) gelden en daarboven 14%. De maximale afdrachtvermindering per inhoudingsplichtige wordt in dat jaar € 8.500.000.
Pensioen voor de zzp'er
(Ex-)werknemers die na ontslag voor zichzelf beginnen en hun pensioenregeling vrijwillig voortzetten, kunnen de premies gedurende 3 jaar in mindering brengen op hun inkomen. Die termijn wordt 10 jaar. Zo wordt fiscaal gefaciliteerd wat volgens de Pensioenwet mogelijk is. Dit wordt gefinancierd door een inperking van de fiscale oudedagsreserve (FOR). IB-ondernemers kunnen thans 12% van de winst doteren aan de FOR (eerste begrenzing), waarbij een maximering geldt tot een bedrag van € 11.882 (tweede begrenzing). In 2011 kunnen zij maximaal € 11.882 doteren en in 2012 wordt dit beperkt tot € 9.382.
De 30%-regeling
De 30%-regeling is een fiscale faciliteit voor werknemers die vanuit het buitenland naar Nederland komen en over een specifieke deskundigheid beschikken die schaars is op de Nederlandse arbeidsmarkt. De extra kosten van verblijf buiten het land van herkomst (extraterritoriale kosten) mogen aan deze ingekomen werknemers onbelast worden vergoed, maar deze vergoeding mag ook forfaitair worden vastgesteld op 30% van het loon. Aangezien hierdoor slechts 70% van het loon in de heffing wordt betrokken, ontstaat een belastingvoordeel.
Het belastingplan stelt drie belangrijke wijzigingen voor met betrekking tot de voorwaarden om voor de 30%-regeling in aanmerking te komen:
1. Het specifiekedeskundigheidscriterium
De belangrijkste voorwaarde is dat de ingekomen werknemer beschikt over een specifieke deskundigheid die schaars is op de Nederlandse arbeidsmarkt. Onder de huidige regeling wordt dit getoetst op basis van feiten en omstandigheden. Van belang zijnde factoren zijn onder andere de opleiding en werkervaring. In de nieuwe regeling wordt een salarisnorm geïntroduceerd: een ingekomen werknemer zal alleen kwalificeren voor de regeling wanneer het fiscale loon – dus exclusief de onbelaste 30%-vergoeding – ten minste € 50.619 bruto per jaar bedraagt. Deze norm is gekoppeld aan de kennismigrantenregeling voor het verkrijgen van een werkvergunning. Overigens betreft het hier de salarisnorm voor de categorie werknemers van 30 jaar en ouder.
Deze wijziging zal tot gevolg hebben dat ten opzichte van de huidige regeling minder ingekomen werknemers kwalificeren, waaronder bijvoorbeeld kennismigranten jonger dan 30 jaar waarvoor een lagere salarisnorm van toepassing is (€ 37.121 bruto per jaar).
In de huidige regelgeving wordt een werknemer geacht te hebben voldaan aan het vereiste van specifieke deskundigheid en schaarste indien hij behoort tot het midden- of hoger kader van een internationaal concern en ten minste tweeënhalf jaar werkervaring heeft bij dat concern. Het is op dit moment onduidelijk of deze regeling blijft bestaan, omdat de gewijzigde tekst van de relevante bepalingen uit het Uitvoeringsbesluit loonbelasting nog niet is gepubliceerd.
Promovendi aan Nederlandse en buitenlandse universiteiten die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt en na hun promotieonderzoek in Nederland blijven of gaan werken, komen voortaan in aanmerking voor de regeling. Momenteel kwalificeren zij vaak niet als ingekomen werknemer, omdat zij al in Nederland woonachtig waren op het moment van indiensttreding. Bovendien wordt voor deze groep een verlaagde salarisnorm gehanteerd (een fiscaal jaarloon van ten minste € 26.605).
2. Uitbreiding van de kortingsregeling
De 30%-regeling wordt toegekend voor de periode van 10 jaar. Indien een ingekomen werknemer eerder in Nederland heeft verbleven of is tewerkgesteld, worden deze eerdere perioden gekort op de toekenningsduur. Onder de huidige regeling wordt voor deze kortingsregeling een toetsperiode van 10 jaar gehanteerd. Perioden van verblijf of tewerkstelling die meer dan 10 jaar geleden zijn geëindigd, worden in beginsel niet in aanmerking genomen. In de nieuwe regeling wordt de toetsperiode verlengd tot 25 jaar. Deze wijziging is voornamelijk van belang voor Nederlanders, omdat zij doorgaans niet langer dan 25 jaar niet in Nederland hebben gewoond en gewerkt.
3. Grensarbeiders uitgesloten van de 30%-regeling
Werknemers die woonachtig zijn binnen een straal van 150 kilometer van de Nederlandse grens komen niet langer in aanmerking voor de 30%-regeling. Deze nieuwe toets wordt geïntroduceerd om verdringing van Nederlanders op de arbeidsmarkt in de grensstreek tegen te gaan.
De uitsluiting van grensarbeiders is van belang voor werknemers uit België en de grensstreek van Duitsland, omdat zij niet langer in aanmerking komen voor de regeling.
4. Overgangsregeling
Reeds afgegeven 30%-regelingen zullen in beginsel worden geëerbiedigd. De huidige regelgeving biedt de inspecteur met ingang van het zesde jaar van de looptijd echter wel de mogelijkheid de inhoudingsplichtige te verzoeken aannemelijk te maken dat de werknemer nog steeds moet worden aangemerkt als ingekomen werknemer in de zin van de 30%-regeling. Als dat toetsmoment na 1 januari 2012 is gelegen, gelden wel de nieuwe voorwaarden voor de specifieke deskundigheid. Ook geldt dan de voorwaarde dat de werknemer op het moment van indiensttreding niet woonachtig mag zijn geweest binnen een straal van 150 kilometer van de Nederlandse grens. Werknemers die echter op 1 januari 2012 de 30%-regeling al langer dan 5 jaar toepassen, zijn dit toetsmoment al gepasseerd en zullen voor de resterende looptijd recht behouden op de 30%-regeling. De vastgestelde looptijd van een voor 1 januari 2012 afgegeven 30%-beschikking zal na 1 januari 2012 niet op grond van de nieuwe regelgeving worden bijgesteld. De verruimde kortingsregeling zal daarom alleen gaan gelden voor nieuwe gevallen.
Btw
Privégebruik auto van de zaak
Er worden nadere wettelijke maatregelen aangekondigd voor het (kunnen) vaststellen van de grondslag waarover de ondernemer btw moet betalen wegens privégebruik van de auto van de zaak.
Suppletie-aangifte btw
Het belastingplan bevat een voorstel om de suppletie-aangifte die veel ondernemers en instellingen aan het einde van een jaar indienen, te 'formaliseren'. Het indienen van een suppletie wordt dan beschouwd als wettelijke 'informatieplicht'. Een daarin vervat teruggaafverzoek wordt echter nog steeds als een te laat ingediend verzoek beschouwd. Bij weigering aan het verzoek tegemoet te komen is geen bezwaar en beroep mogelijk.
Inkomstenbelasting
Zelfstandigenaftrek
Zoals al aangekondigd in de Fiscale agenda wordt de zelfstandigenaftrek geüniformeerd op één vast bedrag van € 7.280 per jaar. Dit bedrag zal niet langer aflopen bij oplopende winst en zal niet worden geïndexeerd. Ondernemers krijgen hierdoor vooraf zekerheid over de hoogte van de zelfstandigenaftrek. De regeling is gunstiger voor ondernemers met hogere winsten. Hiermee wordt de focus verlegd van ondernemersactiviteiten die weinig winstgevend zijn naar winstgevend ondernemerschap en doorgroei.
Als mogelijke vervolgstap wil het kabinet verder de mogelijkheden van een winstbox onderzoeken. Dit zou kunnen betekenen dat ondernemersfaciliteiten in de toekomst zullen opgaan in een lager en minder progressief tarief voor winst waarmee de belastingheffing over winst eenvoudiger en transparanter zou worden.
Doorschuiven terbeschikkingstelling bij echtscheiding
Als een tot een huwelijksgemeenschap behorend vermogensbestanddeel ter beschikking wordt gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft, dan wordt dit vermogensbestanddeel voor de terbeschikkingstellingsregeling in box 1 aan beide echtgenoten voor de helft toegerekend. In de wet wordt expliciet vastgelegd dat het vermogensbestanddeel geruisloos kan worden doorgeschoven bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap als gevolg van scheiding, mits het vermogensbestanddeel wordt toebedeeld aan de belastingplichtige die de terbeschikkingstelling voortzet.
Waardering verpachte woningen in box 3
In de wet wordt vastgelegd dat verpachte woningen in box 3 op een lagere waarde mogen worden gewaardeerd dan de WOZ-waarde conform verhuurde woningen, mits de pachtovereenkomst voor 12 jaar is aangegaan.
Uitbreiding defiscalisering verkrijgingen krachtens erfrecht
Op grond van het wettelijk erfrecht (evenals bij een ouderlijke boedelverdeling) worden bij overlijden van een ouder alle goederen en schulden van de nalatenschap toebedeeld aan de langstlevende echtgenoot, waardoor deze echtgenoot een schuld krijgt aan de (stief)kinderen. In dat geval worden de vermogensbestanddelen van de nalatenschap voor de inkomstenbelasting belast bij de langstlevende echtgenoot in de diverse boxen. De schuld aan de kinderen en de daarmee corresponderende vorderingen van de kinderen worden fiscaal genegeerd (lees: gedefiscaliseerd) en hoeven niet te worden opgenomen in box 3. Met ingang van 1 januari 2012 wordt deze regeling uitgebreid voor situaties tussen de langstlevende echtgenoot en kinderen die materieel voldoende vergelijkbaar worden geacht te zijn met genoemde wijze van verdeling. Hieronder vallen onder meer vorderingen en schulden die ontstaan bij partiële verdeling van een nalatenschap, (keuze)legaten tegen inbreng van de waarde waarbij de inbreng wordt schuldig gebleven en legitieme vorderingen. Daarnaast worden ook erfrechtelijke vruchtgebruiksituaties onder de regeling gebracht en vindt defiscalisatie in box 3 plaats wanneer op de goederen die de kinderen erven een vruchtgebruik wordt gevestigd ten behoeve van de langstlevende echtgenoot. De goederen worden dan volledig in de heffing betrokken bij de langstlevende echtgenoot.
Afschaffen kindertoeslag in box 3
De verhoging van het heffingvrije vermogen in box 3 bij belastingplichtigen die gezag uitoefenen over een minderjarig kind (de kindertoeslag) van in beginsel € 2.779 per kind komt te vervallen.
Versobering aftrek kosten levensonderhoud kinderen
De aftrek voor levensonderhoud van kinderen waarvoor geen kinderbijslag of studiefinanciering wordt genoten, wordt versoberd. De leeftijdsgrens voor kinderen waarvoor uitgaven in aanmerking kunnen worden genomen, wordt verlaagd van 30 naar 21 jaar.
Toepassing alleenstaande-ouderkorting bij kinderen tot 18 jaar
De reikwijdte van de alleenstaande-ouderkorting wordt beperkt tot de belastingplichtige met een kind dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt; nu is dat nog 27 jaar. Daar staat tegenover dat wordt voorgesteld het recht op alleenstaande-ouderkorting te toetsen aan de leeftijd van het jongste kind. Nu geldt nog dat geen van de kinderen met wie de belastingplichtige een huishouding voert een leeftijd mag hebben die de genoemde grens overschrijdt.
Vitaliteitsregeling
De arbeidskorting voor ouderen vervalt per 2012. De doorwerkbonus wordt in 2012 aangepast en vervalt per 2013. De spaarloonregeling verdwijnt per 2012. Het opgebouwde vermogen kan in 2013 worden opgenomen. Voor wie dat niet doet, blijven de deblokkeringsregelingen van toepassing en blijft de vrijstelling in box 3 tot 2016 bestaan. Ook de levensloopregeling verdwijnt per 2012. Diverse overgangsmaatregelen worden getroffen. In de plaats van de arbeidskorting voor ouderen, de doorwerkbonus, spaarloonregeling en de levensloopregeling komt in 2013 het vitaliteitssparen. Alle belastingplichtigen met inkomen uit tegenwoordige arbeid kunnen meedoen. Stortingen zijn fiscaal aftrekbaar in box 1 tot maximaal € 5.000 per jaar. Het maximaal fiscaal gefaciliteerd op te bouwen vermogen is € 20.000 (bruto). Het tegoed is niet belast in box 3. Belasting wordt geheven bij opname van het tegoed. De regeling is bestedingsvrij. Er is een opnamebeperking vanaf 62 jaar. In 2013 wordt ook de werkbonus voor 62-plussers geïntroduceerd. Net als de af te schaffen arbeidskorting voor ouderen loopt deze via de loonbelasting.
Maatregelen auto
Een van de speerpunten van het kabinet is de fiscale stimulering van de aanschaf en het gebruik van zuinige auto’s. Zo is bijvoorbeeld voor een bepaalde, in de wet aangemerkte categorie zeer zuinige auto’s bij aanschaf geen BPM (belasting van personenauto’s en motorrijwielen) verschuldigd en hoeft vervolgens geen motorrijtuigenbelasting (MRB) te worden betaald. Als sprake is van een auto van de zaak, leidt het rijden in een zuinige auto tot een fiscaal lagere bijtelling voor privégebruik in de sfeer van de loon- en inkomstenbelasting. De stimulerende maatregelen zijn echter dermate succesvol dat de overheid veel belastinginkomsten misloopt.
Om enerzijds een gat in de begroting te voorkomen en anderzijds aan te sluiten bij het oorspronkelijke doel dat alleen de echt zuinige auto’s worden gestimuleerd, wenst het kabinet zijn fiscale stimuleringsbeleid per 1 juli 2012 aan te scherpen.
BPM
Voor de zuinigste auto’s zal een vrijstelling van BPM blijven bestaan, zij het dat de grenzen van de in de BPM opgenomen CO2-schijven jaarlijks per 1 januari (in 2012 per 1 juli) naar beneden worden bijgesteld. Per 1 januari 2015 zullen de grenzen (voorlopig?) voor het laatst worden verlaagd. De bestaande tariefverschillen tussen benzine- en dieselauto’s zijn dan verdwenen. De huidige BPM-vrijstellingsgrens bedraagt voor een benzineauto 110 gram CO2-uitstoot per kilometer (gr/km), voor een dieselauto geldt een grens van 95 gr/km. Met ingang van 1 juli 2012 worden deze verlaagd naar 102 gr/km respectievelijk 91 gr/km. In 2015 geldt alleen nog een vrijstelling bij een maximale uitstoot van 82 gr/km.
MRB
Tot 1 januari 2014 blijft de huidige vrijstelling van de MRB voor zeer zuinige auto’s gehandhaafd en gelden de huidige CO2-vrijstellingsgrenzen (benzine 110 gr/km, diesel 95 gr/km). Vanaf 2014 vervalt de vrijstelling van de MRB voor zowel nieuwe als bestaande auto’s en zal de belasting alleen nog op gewicht zijn gebaseerd. Uitzondering hierop vormt een vrijstelling tot en met 2015 voor zeer zuinige auto’s met een uitstoot van niet meer dan 50 gr/km.
Bijtelling loonbelasting/inkomstenbelasting
De bijtelling voor het privégebruik van de auto van de zaak zal aansluiten bij de verscherping van de schijven in de BPM. Het laagste tarief van 14% bijtelling blijft gekoppeld aan de schijf waarvoor vrijstelling van BPM geldt. Het 20%-bijteltarief geldt met ingang van 1 juli 2012 voor benzineauto's met een CO2-uitstoot tussen 103 en 132 gr/km en dieselauto’s met een CO2-uitstoot tussen 92 en 114 gr/km. Het 20%-bijteltarief zal uiteindelijk in 2015 alleen nog gelden voor auto’s met een CO2-uitstoot tussen 83 en 110 gr/km. Naast deze aanscherping van de zuinigheidsgrenzen op basis waarvan een verlaagde bijtelling kan worden toegepast, wordt ook voorgesteld de periode te beperken waarbinnen deze verlaagde bijtelling van toepassing is. Onder de huidige wetgeving geldt dat de aanscherpingen van de zuinigheidsgrenzen alleen zullen gelden voor auto’s waarvan het kenteken na de (eerste) aanscherping voor het eerst op naam worden gesteld. In de voorgestelde systematiek zal de periode dat men nog een verlaagd bijtellingspercentage kan toepassen na een aanscherping van de zuinigheidsgrenzen worden teruggebracht tot 60 maanden (de veronderstelde gemiddelde duur van een leasecontract). Aan het einde van iedere periode van 60 maanden wordt bekeken of de auto opnieuw in aanmerking komt voor een verlaging van het bijtellingspercentage.
Voor auto’s met een CO2-uitstoot van niet meer dan 50 gr/km geldt vanaf 1 januari 2012 tot en met 2015 een nihiltarief voor de bijtelling. Een auto die in de periode tot 31 december 2015 op kenteken wordt gezet en die dan kwalificeert voor de nihilbijtelling, behoudt deze nihilbijtelling voor een periode van 60 maanden. Voor nulemissieauto’s die al voor 1 januari 2012 zijn aangeschaft, wordt de nihilbijtelling uitgebreid tot en met 2016.
Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’s
De werknemer aan wie een bestelauto als bedoeld in de Wet BPM ter beschikking is gesteld die niet voor privédoeleinden wordt gebruikt, kan met ingang van 1 januari 2012 verzoeken om een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik. Het verzoek daartoe wordt door de werknemer via de inhoudingsplichtge aan de inspecteur gedaan. Indien de werknemer de bestelauto wel voor privédoeleinden gaat gebruiken, dan dient hij de verklaring via de inhoudingsplichtige bij de inspecteur in te trekken. Vermoedt de inhoudingsplichtige privé gebruik van de bestelauto, dan informeert hij de inspecteur. Er zullen nog regels worden gesteld in welke gevallen werknemer en inhoudingsplichtige gehouden zijn de inspecteur te informeren.
De belastingdienst zal onder meer aan de hand van camerabeelden toezicht houden. Indien de inspecteur een vermoeden heeft van privégebruik van de bestelauto, kan hij de werknemer en de inhoudingsplichtige vragen, aan te tonen dat de betreffende rit zakelijk is. Slagen zij daar niet in, dan wordt in beginsel aan de werknemer een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd. De naheffingsaanslag wordt echter opgelegd aan de inhoudingsplichtige indien hij weet dat de werknemer de bestelauto voor privédoeleinden gebruikt of niet direct meldt dat de werknemer de verklaring nog niet heeft ingetrokken.
Er zullen nadere regels worden gesteld aan de hand waarvan de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik wordt afgegeven en ingetrokken. Dit geldt ook ontvangstbevestigingen die de inspecteur stuurt.
Geefwet
In de Geefwet, maar ook in diverse andere wetsvoorstellen van het Belastingplan 2012 wordt een samenstel van maatregelen getroffen om te bewerkstelligen dat goede doelen ook in de toekomst nog steeds, of zelfs nog beter, kunnen worden verwezenlijkt. De budgettaire ruimte wordt gevonden door de aftrek voor monumentenpanden te beperken.
Zo wordt de giftenaftrek in de vennootschapsbelasting verruimd, onder andere door het totale bedrag dat als aftrekbare gift kan worden aangemerkt te verhogen van 10% naar maximaal 50% met een maximum van € 100.000.
Formeelrechtelijke wijzigingen
Nieuwe regeling voor rente in de AWR
Met ingang van tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2012 zal een nieuwe regeling gaan gelden voor het berekenen en het vergoeden van rente door de Belastingdienst. De huidige regeling van de heffingsrente komt te vervallen en wordt vervangen door de regeling van belastingrente. Ook de regeling van de invorderingsrente zal wijzigen. De belangrijkste wijzigingen worden voorgesteld voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. Voor de erfbelasting (voor belastingschulden die zijn ontstaan na 1 januari 2013) en onder andere de loonbelasting en omzetbelasting zal weinig veranderen.
De periode waarover belastingrente zal worden berekend of vergoed, vangt voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting aan zes maanden na afloop van het belastingjaar (in de regel 1 juli) en eindigt op de vervaldag van de betalingstermijn van de belastingaanslag.
Belastingplichtigen kunnen het betalen van belastingrente zo veel mogelijk beperken door de verschuldigde belasting te betalen voordat de periode van zes maanden na afloop van het belastingjaar eindigt. Het vergoeden van rente door de Belastingdienst (zowel door de ontvanger als door de inspecteur) wordt belangrijk beperkt. Er zal niet meer automatisch rente worden vergoed wanneer een belastingplichtige na afloop van het belastingjaar een bedrag aan belasting terugontvangt.
De Belastingdienst zal bijvoorbeeld – anders dan nu nog het geval is – geen rente meer vergoeden wanneer de aanslag na bezwaar of beroep wordt verminderd. Wel vergoedt de inspecteur belastingrente wanneer hij er langer dan 13 weken over doet om een belastingaanslag met een uit te betalen bedrag vast te stellen, indien die aanslag overeenkomstig de ingediende aangifte of een ingediend (herzienings)verzoek is.
Wijzigingen in de boetebepalingen
- Het wordt mogelijk een vergrijpboete op te leggen voor hetzelfde feit nadat een verzuimboete is opgelegd. Dat zal alleen mogelijk zijn als de inspecteur na het opleggen van de verzuimboete nieuwe bezwaren ontdekt. De verzuimboete wordt verrekend met de vergrijpboete.
- In bepaalde gevallen worden belastingplichtigen verplicht om uit eigen beweging onjuistheden of onvolkomenheden aan de Belastingdienst te melden. Het niet nakomen van deze verplichting wordt beschouwd als een overtreding. Als sprake is van opzet of grove schuld zal hiervoor een vergrijpboete van 100% kunnen worden opgelegd van de belasting die te weinig is geheven als gevolg van het niet nakomen van deze verplichting. Deze regeling zal thans van toepassing worden verklaard op:
- de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’s;
- de verklaring geen privégebruik bij een auto van de zaak;
- de gevallen waarin erfgenamen ontdekken dat de aangifte erfbelasting over buitenlandse bestanddelen niet juist of onvolledig was (de zogenoemde Edelweissroute);
- aangiften omzetbelasting waarvan de ondernemer na afloop van het kalenderjaar ontdekt dat te weinig belasting is betaald of teruggevraagd. Bij een te lage teruggaaf omzetbelasting achten wij een boete echter moeilijk voorstelbaar.
Herziening regeling voorlopige aanslagen vennootschapsbelasting (Vpb)
Een voorlopige aanslag Vpb zal kunnen worden herzien zonder officieel bezwaar te maken. Daartoe zal een herzieningsverzoek moeten worden ingediend. De termijn voor het maken van bezwaar tegen een afgewezen herzieningsverzoek inzake de voorlopige aanslag wordt verlengd van de huidige zes weken tot de datum van het opleggen van de definitieve aanslag.
Diverse wijzigingen in de invorderingswet
- In het kader van de fraudebestrijding zal voortaan slechts één bankrekeningnummer op naam van de belastingplichtige worden gebruikt voor uitbetalingen door de Belastingdienst.
- De regeling van conserverende aanslagen bij pensioen en lijfrenteaanspraken zal worden aangepast, zodat deze in overeenstemming met de rechtspraak is.
- De uitstelfaciliteit voor erfbelasting bij verkijging van de blote eigendom van een eigen woning wordt verruimd en verfijnd.
Diverse overige voorstellen Belastingplan 2012
Aanmeldingen EIA/MIA/VAMIL
De aanmeldingen voor de energie-investeringsaftrek (EIA), milieu-investeringsaftrek (MIA) en de willekeurige afschrijving op milieu-investeringen (VAMIL) zullen met ingang van 2012 volledig digitaal plaatsvinden. De gehele aanvraag van de EIA/MIA/VAMIL wordt ondergebracht in het E-loket van Agentschap NL.
Tijdelijke verlaging tarief overdrachtsbelasting
De eerder dit jaar bij beleidsbesluit uitgevaardigde verlaging van de overdrachtsbelasting bij de aankoop van een woonhuis van 6% naar 2% wordt vastgelegd in de wet. De verlaging geldt vanaf 15 juni 2011 tot 1 juli 2012.
Diverse kleine belastingen verdwijnen
7 van de 22 heffingen verdwijnen in het kader van eenvoud en administratieve lastenreductie. De volgende belastingen worden afgeschaft:
-
Afvalstoffenbelasting
-
Grondwaterbelasting
-
Verbruiksbelasting van pruim- en snuiftabak
-
Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken
-
Belasting op leidingwater
-
Verpakkingenbelasting
-
Eurovignet
Assurantiebelasting en verzekeringsmaatschappijen van buiten de EU
Verzekeringsmaatschappijen van buiten de EU moeten met ingang van 2012 weer verplicht een fiscaal vertegenwoordiger in Nederland hebben voor de assurantiebelasting, net als voor 2011.
Dwangsomregeling toeslagen
De regeling dat een dwangsom kan worden gevraagd als een overheidslichaam niet tijdig beslist op een aanvraag, wordt van toepassing verklaard op beschikkingen die betrekking hebben op inkomensafhankelijke regelingen, zoals zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag of huurtoeslag.
Andere fiscale ontwikkelingen
Behalve de hiervoor genoemde fiscale maatregelen uit het Belastingplan 2012 staat nog een aantal andere belangrijke (fiscale) ontwikkelingen op stapel voor 2012 (of later). Hierna worden enkele ontwikkelingen kort behandeld.
Verhoging eigenwoningforfait
In 2012 wordt het eigenwoningforfait voor woningen boven een bepaalde WOZ-waarde (in 2011 is dat € 1.020.000) verhoogd van 1,05% naar 1,30% voor het deel dat die WOZ-waarde overstijgt. Uiteindelijk zal dit 2,35% zijn in 2016.
Griffierecht kostendekkend
De regering heeft aangekondigd het griffierecht in het algemeen aanzienlijk te verhogen. Dat betekent dat ook bij belastingzaken procedures duurder zullen worden. Het wetsvoorstel daartoe is nog niet gepubliceerd.
Fiscale rechtspraak openbaar
Belastingprocedures vinden op dit moment achter gesloten deuren plaats. De ministers van Veiligheid en Justitie en van Financiën hebben een wetsvoorstel aangekondigd, op grond waarvan belastingprocedures in het openbaar zullen worden gevoerd.