Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over geldigheid integratieheffing btw 

 

26-5-2011 

De Hoge Raad heeft op 13 mei 2011 prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ) over het toepassingsbereik van de zogenoemde integratieheffing, ofwel de integratielevering in de btw. De Hoge Raad vraagt aan het HvJ of sprake is van een integratielevering als een onroerend goed door een derde, maar op eigen grond is gebouwd en deze grond eerder voor van btw vrijgestelde activiteiten is gebruikt.

Door de integratielevering zijn onder meer woningcorporaties, pensioenfondsen, zorginstellingen en financiële instellingen vaak fors duurder uit bij investeringsprojecten, zoals nieuwbouw. Dat komt doordat bij ingebruikneming alsnog btw moet worden 'bijbetaald' over kosten waarop bij aanschaf geen btw drukte. Hierbij valt te denken aan loon- en grond(verwervings)kosten. De Hoge Raad wil van het HvJ weten of de ruime uitleg die de Belastingdienst toekent aan de integratielevering, wel in overeenstemming is met de Europese btw-regels. De mogelijkheid bestaat dat het HvJ de Nederlandse belastingwet op dit punt te ruim vindt.

Toelichting
Van een integratielevering is sprake als een in eigen bedrijf vervaardigd (onroerend) goed wordt bestemd voor van btw vrijgestelde prestaties. Door de integratielevering moet btw worden afgerekend over de stichtingskosten en dus ook over de grondwaarde. De vraag is of het door een derde op eigen grond laten vervaardigen van een onroerend goed ook geldt als "in het eigen bedrijf" vervaardigd.

De casus is als volgt. De exploitant van een sportcomplex heeft een natuurgrasveld door een derde laten vervangen door een kunstgrasveld. Een kunstgrasveld geldt voor de btw als onroerend goed en bij oplevering dus als nieuw onroerend goed. Het natuurgrasveld was al lange tijd in het bezit van de exploitant, die het veld vrijgesteld van btw verhuurde. Het kunstgrasveld wordt eveneens vrijgesteld van btw verhuurd.

De exploitant van het sportcomplex is van mening dat de aanleg van het kunstgrasveld gevolgd door de vrijgestelde verhuur, geen integratielevering tot gevolg heeft. De integratielevering zou in de Nederlandse wetgeving te ruim zijn verwoord en daarom strijdig zijn met de Europese btw-regels. Voor Gerechtshof Den Haag kreeg belanghebbende gelijk. De advocaat-generaal concludeert echter dat geen sprake is van strijd met het Europees recht. Nu is het HvJ aan zet.

Mocht deze procedure positief uitpakken voor de exploitant van het sportcomplex, dan doet de integratielevering zich in een aantal gevallen niet meer voor. De btw-druk blijft dan beperkt tot de niet-aftrekbare btw over de aankopen van derden in verband met de bouw. Componenten zonder btw, zoals eigen arbeid en btw-vrije grond, blijven dan buiten schot. Door de vraagstelling van de Hoge Raad lijken de gevolgen van de procedure zich in eerste instantie te beperken tot gevallen waarin de grond eerder is gebruikt voor van btw vrijgestelde prestaties.

Het antwoord van het HvJ is echter niet te voorspellen. Als ene uiterste zou de Nederlandse regeling geheel kunnen worden bevestigd en als andere uiterste zou deze zeer sterk kunnen worden ingeperkt. Ook antwoorden die tussen deze uitersten liggen zijn denkbaar. De beslissing kan wel 1 à 2 jaar op zich laten wachten.