Nieuw belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland in werking getreden 

 

12-12-2011 

Het in februari 2010 tussen Nederland en Zwitserland ondertekende belastingverdrag is op 9 november 2011 in werking getreden en zal daarmee van toepassing worden voor belastingjaren en -tijdvakken die beginnen op of na 1 januari 2012. Tot dit tijdstip vinden de bepalingen van het oude verdrag nog toepassing. Voor de uitwisseling van inlichtingen geldt echter toepassing met terugwerkende kracht tot 1 maart 2010. Hierna staan wij kort stil bij enkele belangrijke aspecten van het nieuwe verdrag.

Inlichtingen-uitwisseling
Onder internationale druk heeft Zwitserland zijn verdragspolitiek op het punt van inlichtingen-uitwisseling aangepast. In overeenstemming hiermee is Zwitserland – mede in relatie tot Nederland – akkoord gegaan met inlichtingen-uitwisseling op verzoek in belastingzaken. Deze uitwisseling kan zien op de toepassing van het verdrag, maar ook op een verzoek om informatie die ziet op de belastingheffing van de desbetreffende belastingplichtige. Zwitserland mag na inwerkingtreding van het verdrag het bankgeheim niet meer aanvoeren als weigeringsgrond. Zogenoemde fishing expeditions zijn echter niet toegestaan en de verdragstaten zijn evenmin verplicht automatisch of spontaan inlichtingen uit te wisselen. Deze nieuwe uitwisselingsbepaling zal gelden voor verzoeken die zijn gedaan op of na 9 november 2011. Deze verzoeken moeten inlichtingen betreffen die zien op feiten die zich hebben voorgedaan na 28 februari 2010.

Eind oktober 2011 is in dit kader nog een aanvullende overeenkomst getekend tussen de Nederlandse en Zwitserse autoriteiten. Om (bank)informatie te krijgen hoeft de fiscus niet per se de naam van betrokkene of de naam van de bank te kennen. Ook andere gegevens, bijvoorbeeld een rekeningnummer, kunnen voldoende basis zijn voor het doen van een informatieverzoek. Deze overeenkomst is ook vanaf 9 november 2011 van toepassing.

Dividenden
Voor deelnemingsdividenden geldt onder het oude verdrag een teruggaaf van dividendbelasting voor aandelenbelangen van ten minste 25%. Het nieuwe verdrag geeft dit vorm met een vrijstelling bij een aandelenbelang van 10% of meer. De vrijstelling zal echter niet van toepassing zijn als de verhouding tussen moeder- en dochtervennootschap voornamelijk in het leven is geroepen en in stand wordt gehouden om het voordeel te genieten van het dividendartikel. Verder zal een vrijstelling van dividendbelasting gelden voor dividenden betaald aan pensioenfondsen, ongeacht de omvang van het aandelenbelang. Onder het huidige Nederlandse verdragsbeleid kunnen dergelijke entiteiten overigens ook aanspraak maken op verdragsvoordelen. Verder is voorzien in een heffingsrecht voor Nederland voor een emigrant aan wie een conserverende aanslag is opgelegd in verband met een aanmerkelijk belang in een lichaam. Als Zwitserland eveneens heft over dit dividend, verleent Nederland een teruggaaf tot ten hoogste 10% van het dividendbedrag (bronstaatcredit).

Voor dividenden aan particulieren en vennootschappen met een aandelenbelang onder de 10% blijft het dividendbelastingtarief 15%.

Interest en royalty's
Het bronland mag onder het nieuwe verdrag niet langer heffen over interest; onder het oude verdrag is deze heffing nog gemaximeerd op 5%. De huidige vrijstelling van bronheffing op royalty's blijft gehandhaafd.

Vermogenswinsten
De mogelijkheid wordt ingevoerd om de vervreemdingswinst op aandelen of andere vennootschappelijke rechten in bepaalde vastgoedvennootschappen te belasten in de staat waar het vastgoed zich bevindt. Vooralsnog kan dit recht niet worden geëffectueerd onder het Nederlandse nationale belastingrecht. Daarnaast krijgt Nederland aanzienlijk meer heffingsmogelijkheden bij de vervreemding van aandelen door een aanmerkelijkbelanghouder die voorheen inwoner was van Nederland als aan deze natuurlijke persoon een conserverende aanslag is opgelegd die nog geheel of gedeeltelijk openstaat. 

Pensioenen
Het onderscheid tussen heffing over pensioenen opgebouwd in publieke en private dienstbetrekking zal onder het nieuwe verdrag verdwijnen. Pensioenen blijven in beginsel slechts belastbaar in de woonstaat. De situaties waarin het is toegestaan pensioenen in de andere staat te belasten, worden echter uitgebreid. Verder regelt het nieuwe verdrag expliciet de aftrekbaarheid van pensioenpremies betaald aan een erkende pensioenregeling in het andere land.

Directeursbeloningen
Lonen en salarissen betaald door een vennootschap die is gevestigd in Nederland aan een bestuurder die inwoner is van Zwitserland, zullen ook onder het nieuwe verdrag voor de helft zijn onderworpen aan belasting in Nederland en voor de andere helft in Zwitserland. Nieuw in het verdrag is echter dat bestuurdersbeloningen in Zwitserland mogen worden belast als zij ten laste komen van een Zwitserse vaste inrichting van een in Nederland gevestigde vennootschap en worden ontvangen vanwege de uitoefening van bestuurswerkzaamheden bij deze vaste inrichting.

Onderlinge overlegprocedure
Het nieuwe verdrag voorziet in de mogelijkheid tot arbitrage op verzoek van de belastingplichtige. Samengevat leidt arbitrage tot een bindende uitspraak over de belastingheffing als deze volgens de belastingautoriteiten in een concreet geval niet in overeenstemming is met het verdrag. Hetzelfde geldt als onderling overleg tussen de belastingautoriteiten binnen een termijn van drie jaar niet heeft geleid tot een oplossing.

Woonplaats
In het nieuwe verdrag is de bepaling over de dubbele woonplaats van vennootschappen vervangen door een bepaling waarbij de woonplaats onder het verdrag niet langer wordt bepaald door de vestigingsplaats van de statutaire zetel, maar van de plaats van de werkelijke leiding. Dit kan vanaf 1 januari 2012 tot een aantal belangrijke gevolgen leiden in voorkomende gevallen waarbij de vestigingsplaats van een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap in het verleden is verplaatst naar Zwitserland.

Overige
Het nieuwe verdrag bevat verschillende wijzigingen die van belang kunnen zijn voor uiteenlopende situaties. Verder zijn er wijzigingen die de verdragsgerechtigdheid van hybride entiteiten betreffen. Daarnaast komt de toerekening op basis van het praecipuum aan een vaste inrichting te vervallen, evenals de premiebreukmethode die onder het oude verdrag dwingend was voorgeschreven bij de winstbepaling van een vaste inrichting van een verzekeringsmaatschappij.