Op 3 augustus 2010 heeft Rechtbank Haarlem uitspraak gedaan over een Franse vennootschap die had verzocht om teruggaaf van (een deel van) ingehouden Nederlandse dividendbelasting. Zij deed dit verzoek omdat de inhouding strijdig zou zijn met de vrijheid van kapitaalverkeer onder het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Hoewel de rechtbank het verzoek afwees op basis van de feiten, blijkt uit de uitspraak duidelijk dat hij het eens is met het juridische argument van de belastingplichtige, vaak aangeduid met "bronheffing op nettobasis".
Het argument van bronheffing op nettobasis steunt op rechtspraak van het Europese Hof van Justitie (HvJ). Op basis hiervan moeten rechtstreeks drukkende kosten in aftrek komen bij inhouding van bronbelasting op niet-ingezetenen, indien deze kosten kunnen worden afgetrokken door een vergelijkbare, ingezeten belastingplichtige.
Achtergrond en geschil
In deze zaak is in de betreffende jaren (2000 tot en met 2008) Nederlandse dividendbelasting ingehouden op portfoliodividenden die werden betaald aan een Franse financiƫle instelling. Hoewel meerdere geschillen speelden, beperkt dit memorandum zich tot het verzoek van de Franse vennootschap voor een teruggaaf van (een deel van) de ingehouden belasting. Dit verzoek was gebaseerd op het argument dat een binnenlandse belastingplichtige minder belasting zou hebben betaald dan de 15% Nederlandse dividendbelasting. Een binnenlandse belastingplichtige kon de dividendbelasting namelijk verrekenen met de vennootschapsbelasting, terwijl voor de vennootschapsbelasting de kosten aftrekbaar zouden zijn bij het bepalen van de belastbare winst, waarbij de bovenmatige dividendbelasting zou worden terugbetaald.
Discriminatie
Blijkbaar heeft de rechtbank het basisargument van de belastingplichtige aanvaard dat een dergelijk verschil in behandeling in beginsel strijdig is met EU-recht. Daarbij heeft de rechtbank het argument van de inspecteur afgewezen dat het verschil zou berusten op een verschil in heffingstechniek (voorheffing vs. eindheffing).
Termijnen
Voor de jaren 2000 tot en met 2002 is het verzoek van de belastingplichtige echter afgewezen omdat het te laat was. Hoewel geen wettelijke termijn is voorgeschreven, achtte de rechtbank een termijn van vijf jaar redelijk, gerekend vanaf het einde van het desbetreffende kalenderjaar.
Verrekening in het buitenland
Ook voor de jaren 2003 tot en met 2007 is het verzoek afgewezen, omdat de dividendbelasting volledig is verrekend met de Franse vennootschapsbelasting bij de aandeelhouder. Dit oordeel is gebaseerd op rechtspraak van het HvJ waarbij een lidstaat een discriminatie die ontstaat onder de nationale wetgeving kan 'neutraliseren' door middel van een bilateraal belastingverdrag, in dit geval het verdrag tussen Nederland en Frankrijk.
Geen verrekening in het buitenland
Voor 2008 was geen verrekening mogelijk vanwege verliezen die waren geleden in de Franse onderneming van de aandeelhouder. De rechtbank heeft daarom gekeken naar de feitelijke vraag of de kosten die verband hielden met de dividenden hoog genoeg waren om de vennootschapsbelasting die een binnenlandse aandeelhouder zou hebben betaald zodanig te drukken dat dit minder zou worden dan de 15% feitelijk ingehouden dividendbelasting. De rechtbank besliste dat de belastingplichtige onvoldoende had aangetoond dat dit het geval was.
Bij de vraag met welke kosten rekening moest worden gehouden, verwees de rechtbank naar zowel de voorkomingsbepaling in het bilaterale verdrag tussen Nederland en Frankrijk als de rechtspraak van het HvJ. Op basis hiervan heeft de rechtbank bevestigd dat het alleen ging om de rechtstreeks toerekenbare kosten. In dit verband heeft de rechtbank het argument van de belastingplichtige afgewezen dat, vanwege de aard van haar bedrijfsvoering, ook kosten in aanmerking moeten worden genomen die verband hielden met andere aandelenbelangen dan de betreffende Nederlandse dividenden.
Commentaar KPMG Meijburg & Co
Hoewel het verzoek van de belastingplichtige is afgewezen, is dit vooral gebaseerd op de feiten. Echter, de onderliggende redenering van de beslissing geeft algemene steun aan het argument voor berekening van bronheffing op nettobasis. Wij roepen in herinnering dat de Advocaat-Generaal (A-G) bij het HvJ zich recentelijk positief heeft uitgesproken voor dit argument in een infractieprocedure over bronheffing op nettobasis tegen Portugal. Hoewel het HvJ de klacht van de Commissie heeft afgewezen in die zaak, is duidelijk dat de A-G het eens is met het basisprincipe dat bronheffing bij buitenlandse belastingplichtigen op brutobasis in strijd is met EU-recht als binnenlandse belastingplichtigen belasting betalen op nettobasis. Dit komt overeen met het standpunt van KPMG Meijburg & Co, dat inmiddels in een aantal lidstaten heeft geleid tot soortgelijke claims door KPMG.