De Europese Commissie heeft een inbreukprocedure tegen Nederland in gang gezet in verband met het opnemen van topholdings in zogenoemde fiscale eenheden btw. In Nederland staat de Belastingdienst toe dat holdings die niet als btw-ondernemer kwalificeren, onder bepaalde omstandigheden toch kunnen deelnemen in een fiscale eenheid btw. De Commissie is echter van mening dat dit onder de Europese btw-regelgeving niet is toegestaan. Hierdoor zou Nederland zijn beleid moeten wijzigen. Daardoor zouden deze holdings niet meer kunnen delen in de aftrek van voorbelasting van de fiscale eenheid btw.
Achtergrond
Op grond van de Europese Btw-richtlijn mogen lidstaten de vorming van fiscale eenheden btw toestaan. (Rechts)personen die juridisch gezien zelfstandig maar financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, kunnen daarmee worden aangemerkt als één ondernemer. Nederland heeft van deze optie gebruikgemaakt door in de Wet op de omzetbelasting 1968 op te nemen dat ondernemers kunnen worden aangemerkt als één ondernemer (een fiscale eenheid btw) wanneer zij in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een eenheid vormen.
Daarnaast is in het besluit over btw en holdings uit 1991 goedgekeurd dat holdings die niet zelfstandig als btw-ondernemer kwalificeren, toch kunnen worden opgenomen in een fiscale eenheid btw wanneer zij 'binnen een concern een sturende en beleidsbepalende functie vervullen ten dienste van werkmaatschappijen' (de 'topholding'). Het gaat daarbij dus om holdings die managementdiensten aan dochtermaatschappijen verlenen zonder daarvoor een vergoeding te berekenen.
Inbreukprocedure Europese Commissie
Volgens de Europese Commissie kunnen personen die niet zelfstandig als btw-ondernemer kwalificeren niet worden opgenomen in een fiscale eenheid btw. De Commissie is daarom van mening dat Nederland handelt in strijd met de Europese Btw-richtlijn door toe te staan dat topholdings in een fiscale eenheid btw worden opgenomen. Hetzelfde geldt overigens voor het Verenigd Koninkrijk.
Nadat een verzoek van de Europese Commissie aan Nederland om de regelgeving te wijzigen niet naar haar tevredenheid is beantwoord, heeft zij nu een zogenoemde inbreukprocedure in gang gezet. Dit houdt in dat het Europese Hof van Justitie is gevraagd te beoordelen of Nederland in strijd handelt met het Europees recht.
Gevolgen voor de praktijk
Voorlopig kunnen belastingplichtigen zich beroepen op het goedkeurende besluit uit 1991. Mocht Nederland de inbreukprocedure van de Europese Commissie verliezen, dan is het waarschijnlijk dat het besluit uit 1991 (deels) wordt ingetrokken.