Uitspraak Europese Hof van Justitie over btw-correctie personeelsvoorzieningen 

 

16-4-2010 

 

Na enkele jaren van procederen lijkt de strijdbijl over de in Nederland geldende btw-aftrekcorrectie voor personeelsvoorzieningen op grond van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (BUA) te kunnen worden begraven. Op 15 april 2010 heeft het Europese Hof van Justitie (HvJ) beslist dat het geen bezwaren ziet in het huidige BUA als het gaat om de volgende kosten, waarvoor de aftrek van voorbelasting onder voorwaarden is uitgesloten:

  • gelegenheid geven tot privévervoer (bijvoorbeeld de auto van de zaak);
  • verstrekken van spijzen en dranken;
  • verlenen van huisvesting;
  • gelegenheid geven tot sport en ontspanning aan personeelsleden; 
  • verstrekken van relatiegeschenken en andere giften aan hen die geen recht hebben op aftrek van voorbelasting.

Hierbij merken wij op dat de Hoge Raad reeds had besloten dat het BUA niet verbindend is waar het de aftrek van voorbelasting uitsluit voor loon in natura (voor zover niet vallend onder de hiervoor genoemde categorieën) en voor goederen en diensten die worden gebruikt voor andere persoonlijke doeleinden van het personeel.

Verder ziet het HvJ geen probleem in het feit dat slechts een deel van de voorbelasting wordt gecorrigeerd in het BUA als goederen of diensten ook slechts gedeeltelijk worden gebruikt voor bedrijfsdoeleinden. Als laatste geeft het HvJ aan dat geen bezwaren bestaan tegen een wijziging van het BUA, zolang de betreffende ondernemer in de praktijk daardoor niet slechter af is. Het betreft hier de verhoging van de drempel in 1980 van f 250 naar f 500 (het huidige drempelbedrag van € 227).

Het BUA blijft daarmee vrijwel geheel in stand. Dit hoeft voor ondernemers geen nadeel te zijn, omdat het Europese alternatief voor het BUA ongunstiger kan uitpakken. Hierin wordt de verstrekking van personeelsvoorzieningen namelijk gelijkgesteld met een prestatie tegen vergoeding aan een derde. De ondernemer is over deze zogenoemde interne prestatie btw verschuldigd, hoewel daarbij wel recht op btw-aftrek bestaat voor de gemaakte kosten. Aangezien de Europese regeling geen drempelbedrag kent, is deze ingewikkelder en potentieel duurder.