Hoge Raad: vanaf 2001 kan vennootschap wel afschrijven op contante waarde van door dga geschonken huurtermijnen 

 

16-10-2009 

Bij transacties tussen de vennootschap en haar aandeelhouder(s) kijkt de Belastingdienst extra kritisch of dat tegen zakelijke voorwaarden gebeurt. Het is namelijk mogelijk dat de voorwaarden door de aandeelhoudersrelatie zijn ingegeven en daardoor niet zakelijk zijn. Niet zakelijk in de zin dat een derde die géén belang houdt in de vennootschap de desbetreffende transactie met de vennootschap nooit tegen diezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan.

Niet-zakelijke transacties met eigen bv worden gecorrigeerd

Een niet-zakelijke transactie tussen de aandeelhouder(s) en de vennootschap wordt bij de vennootschap gecorrigeerd door het aannemen van een informele kapitaalstorting of een verkapte winstuitdeling. Zo vormt de verkoop door een directeur-grootaandeelhouder van een auto aan zijn bv voor slechts een symbolisch bedrag geen fiscaal belast voordeel voor de bv maar een informele kapitaalstoring door de dga. Andersom is de verkoop van een auto door de bv voor een (veel) te laag bedrag aan de dga geen fiscale verliespost voor de bv, maar een verkapte winstuitdeling aan de dga.

Uitzondering als correctie tot heffingslek zou leiden

De Hoge Raad had hier in 2003 nog een uitzondering op gemaakt voor een geval onder de Wet IB 1964 waarin een dga een dochtervennootschap van zijn eigen bv had bevoordeeld door het recht op toekomstige huurinkomsten van een aan zijn eigen bv verhuurd privé-pand om niet aan die dochtervennootschap over te dragen. De huurinkomsten zelf zouden bij de dga belast zijn geweest met inkomstenbelasting, maar de overdracht van de toekomstige huurtermijnen leidde als zodanig niet tot heffing van inkomstenbelasting bij de dga. De Hoge Raad besliste dat in dat geval een redelijke wetstoepassing die recht doet aan de samenhang tussen de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting, en die strookt met de eerder al gewezen zogenoemde kostenarresten, met zich meebrengt dat de vennootschap het voordeel van de verkrijging om niet toch fiscaal in aanmerking moet nemen, ondanks dat dit voordeel voortvloeit uit de gegeven aandeelhoudersrelatie. Anders zou een 'heffingslek' ontstaan voor de inkomstenbelasting. Meer concreet was het de vennootschap niet toegestaan om fiscaal af te schrijven over de contante waarde van de toekomstige huurtermijnen waardoor de vervallen huurtermijnen per saldo volledig werden belast.

Hoge Raad: geen heffingslek meer vanaf 2001

De Hoge Raad heeft zich nu over een vergelijkbare zaak gebogen, maar ditmaal onder de Wet IB 2001. Het ging om een dga die de toekomstige huurinkomsten van twee aan derden verhuurde privé-panden schonk aan zijn nv. De Wet IB 2001 wijkt zodanig af van de Wet IB 1964 dat het heffingslek zich volgens de Hoge Raad vanaf 2001 niet meer zou voordoen. Anders dan in de zaak van 2003, mocht de vennootschap van de Hoge Raad daarom wel fiscaal afschrijven over de contante waarde van de geschonken huurtermijnen.

Tbs-regeling in box 1 of box 3-heffing

Ten eerste wees de Hoge Raad op de terbeschikkingstellingsregeling vanaf 2001 waardoor iemand die een vermogensbestanddeel ter beschikking stelt aan een vennootschap waarin hijzelf of een verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft, in box 1 wordt belast volgens het winstregime. Indien deze regeling van toepassing zou zijn, dan had de schenking van de huurtermijnen aan de vennootschap tot een afrekening voor de inkomstenbelasting geleid. In dit geval was de terbeschikkingstellingsregeling echter niet van toepassing omdat de panden aan derden werden verhuurd. De panden vielen vanaf 2001 onder het regime voor belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in box 3 waarbij wordt uitgegaan van een forfaitair rendement over de gemiddelde waarde. Weliswaar wordt de grondslag voor de box 3-heffing verlaagd met de contante waarde van de overgedragen huurtermijnen, maar daar staat volgens de Hoge Raad een heffing tegenover van vennootschapsbelasting bij de vennootschap over de oprenting van het recht op de resterende huurtermijnen en een aanmerkelijkbelangclaim bij de aandeelhouder over de uit de oprenting volgende waardestijging van de aandelen in de vennootschap.