Wetsvoorstel bankenbelasting naar de Tweede Kamer 

 

16-12-2011 

Op 15 december 2011 hebben de Minister en Staatssecretaris van Financiën een wetsvoorstel voor de invoering van een bankenbelasting voorgelegd aan de Tweede Kamer. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan een voornemen dat reeds diverse malen is geuit, onder andere in een brief van 1 juli 2011 over de budgettaire dekking voor het tijdelijk verlagen van de overdrachtsbelasting. Het hoofddoel van de bankenbelasting is het beprijzen van de impliciete overheidsgarantie, die bestaat uit de bereidheid van de Staat om banken in nood hulp te bieden als het nodig is om de financiële stabiliteit te waarborgen. De bankenbelasting is een aanvulling op andere maatregelen om het financiële stelsel gezonder te maken en risico’s van banken te beheersen, te weten de maatregelen ter versterking van de solvabiliteit van banken (Basel III) en de ex ante financiering van het depositogarantiestelsel. Het kabinet streeft ernaar om de Wet bankenbelasting medio 2012 in werking te laten treden. Naar verwachting leidt de wet tot een belastingopbrengst van € 300 miljoen per jaar.

Karakter en hoofdlijnen van de bankenbelasting
De bankenbelasting is een nieuwe belasting die van rijkswege wordt geheven over het totaal van de passiva verminderd met i) het toetsingsvermogen, ii) de verplichtingen die onder het depositogarantiestelsel vallen en iii) de doelmatigheidsvrijstelling van € 20 miljard. Voorgesteld wordt om een gesplitst tarief te hanteren, waarbij een hoger tarief geldt voor kortlopende dan voor langlopende schulden. De vormgeving is ontleend aan de eerder dit jaar in het Verenigd Koninkrijk ingevoerde ‘bank levy’. Verder wordt ook in een aantal andere Europese landen een soortgelijke belasting geheven of voorbereid, zoals in Oostenrijk, Duitsland en Zweden, terwijl Frankrijk heeft gekozen voor een koppeling met de activazijde van de balans.

Belastingplichtigen
Het uitgangspunt van de bankenbelasting is dat een lichaam dat in Nederland het bankbedrijf uitoefent zelfstandig belastingplichtig is. De bankenbelasting kent niet het concept van de fiscale eenheid (zoals in de vennootschapsbelasting). Wel kan het zo zijn dat in plaats van het lichaam dat het bankbedrijf uitoefent, het Nederlandse hoofd van de groep of het groepsdeel waartoe dat lichaam commercieel behoort, belastingplichtig is. De bankenbelasting kent dus een enkelvoudige belastingplicht en een ‘groepshoofdbelastingplicht’. Of het lichaam dat het bankbedrijf in Nederland uitoefent zelf zijn zetel in Nederland heeft, is irrelevant.

Enkelvoudige belastingplicht
Belastingplichtig zijn:

·         In Nederland gevestigde lichamen met een Nederlandse bankvergunning. Het gaat hierbij om alle vergunninghoudende banken met een zetel in Nederland. Hieronder vallen ook in Nederland gevestigde dochtermaatschappijen van buitenlandse banken.

·         In Nederland gelegen bijkantoren die beschikken over een zogenoemd ‘Europees paspoort’ (vergunning in de lidstaat van vestiging). Deze bijkantoren hoeven dus niet te beschikken over een door De Nederlandsche Bank (‘DNB’) verleende bankvergunning, maar wel over een mededeling van DNB als bedoeld in artikel 2:14, eerste of tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht (‘Wft’). Als een in een andere staat gevestigde bank uitsluitend via internet zijn bankdiensten in Nederland aanbiedt, is overigens geen sprake van belastingplicht voor de bankenbelasting. Er moet sprake zijn van fysieke aanwezigheid van de buitenlandse bank in Nederland door middel van een bijkantoor.

·         In Nederland gelegen bijkantoren die niet over een Europees paspoort beschikken. Het gaat hierbij om lichamen met een zetel in een andere lidstaat dan Nederland die niet beschikken over een door de toezichthoudende instantie als bedoeld in de Wft verleende vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van bank. Het gaat hierbij ook om lichamen die een zetel hebben in een staat die geen lidstaat is, waarbij het niet uitmaakt of het lichaam in die staat bevoegd is tot het uitoefenen van het bedrijf van bank. Deze lichamen zijn op grond van de Wft verplicht om een door DNB verleende vergunning te hebben, alvorens zij vanuit het in Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf van bank mogen uitoefenen. Ook hier moet sprake zijn van fysieke aanwezigheid van de buitenlandse bank in Nederland door middel van een bijkantoor.

Groepshoofd als belastingplichtige
In het geval de financiële gegevens van één of meerdere lichamen - die op zichzelf bezien op grond van de in 2.1 genoemde criteria als belastingplichtige zouden kwalificeren - worden opgenomen in een door een in Nederland gevestigd lichaam opgestelde geconsolideerde jaarrekening, dan wordt dat groepshoofd aangemerkt als belastingplichtige. Of het groepshoofd zelf het bankbedrijf uitoefent is daarbij irrelevant. Het kan bij de consolidatie zowel gaan om geconsolideerde jaarrekeningen die zijn opgesteld overeenkomstig de in de IAS-verordening bedoelde internationale standaarden voor jaarrekeningen, als om geconsolideerde jaarrekeningen opgesteld overeenkomstig titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Het groepshoofd neemt in de geconsolideerde jaarrekening de financiële gegevens op van alle lichamen die onderdeel zijn van de commerciële consolidatiekring (bankgroep). Het is hierbij van belang dat het groepshoofd ‘control’ (beheersing en zeggenschap) heeft over de andere lichamen. Het maakt niet uit waar die andere lichamen zijn gevestigd: ook de financiële gegevens van in het buitenland gevestigde lichamen kunnen deel uitmaken van een geconsolideerde jaarrekening. Het antwoord op de vraag of sprake is van beheersing en zeggenschap en daarmee of de financiële gegevens van een bepaald lichaam moeten worden meegeconsolideerd, wordt bepaald aan de hand van de genoemde internationale standaarden voor jaarrekeningen uit de IAS-verordening of titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Terugvaloptie
Van de heffing bij het consoliderende lichaam wordt echter afgezien indien de activiteiten binnen een Nederlandse groep of een Nederlands groepsdeel slechts voor een beperkt gedeelte zien op bankactiviteiten. In dat geval vindt de heffing weer plaats bij het lichaam dat het bankbedrijf uitoefent. Van deze ‘terugvaloptie is sprake indien het balanstotaal of het geaggregeerde balanstotaal van de belastingplichtige respectievelijk de belastingplichtigen in een bankgroep minder dan de doelmatigheidsvrijstelling of minder dan 10 procent van het geconsolideerde balanstotaal van het groepshoofd bedraagt. Hiermee wordt voorkomen dat een hele groep in de heffing wordt betrokken, terwijl het belang van de belastingplichtige in die bankgroep klein is.

Belastinggrondslag
Het uitgangspunt vormt het uit de commerciële jaarrekening voortvloeiende balanstotaal van de passiva. De heffing vindt derhalve plaats over:

1.     het in de enkelvoudige commerciële jaarrekening verantwoorde balanstotaal ingeval de bankenbelasting wordt geheven van individuele lichamen die bevoegd zijn in Nederland het bankbedrijf uit te oefenen. Ingeval van een bijkantoor wordt het aan het bijkantoor toe te rekenen deel van de enkelvoudige commerciële jaarrekening van de generale onderneming (hoofdhuis en bijkantoor) als uitgangspunt genomen; of

2.     het in de geconsolideerde commerciële jaarrekening verantwoorde balanstotaal van de Nederlandse groep of het Nederlandse groepsdeel ingeval de bankenbelasting wordt geheven van een lichaam dat de geconsolideerde jaarrekening van een Nederlandse groep of een Nederlandse groepsdeel opstelt.

Aftrekposten
Op de in paragraaf 3.1. genoemde balanstotalen kunnen de volgende specifieke passiva in aftrek worden gebracht:

1.     Het op Europese richtlijnen gebaseerde toetsingsvermogen (kernkapitaal en aanvullend kapitaal) bedoeld om eventuele verliezen te kunnen opvangen.

2.     De deposito’s die daadwerkelijk worden vergoed op grond van het depositogarantiestelsel. Hiermee wordt voorkomen dat over die deposito’s zowel de nieuwe depositogarantieheffing als de bankenbelasting worden toegepast.

3.     De passiva die samenhangen met het verzekeringsbedrijf met het oog op de specifiek voor verzekeraars geldende toezichtswetgeving op basis van het zogenoemde Solvency II.

Doelmatigheidsvrijstelling
Op de belastbare som die resteert mag met het oog op het streven naar een overzichtelijke en beperkte administratieve uitvoeringslast een doelmatigheidsvrijstelling van € 20 miljard in mindering worden gebracht. De doelmatigheidsvrijstelling kan echter niet hoger zijn dan de (resterende) belastbare som, zodat van een negatieve aanslag of verliesverrekening geen sprake kan zijn. De belastbare som verminderd met de doelmatigheidsvrijstelling resulteert in het belastbare bedrag. Indien het belastbare bedrag positief is, is daadwerkelijk bankenbelasting verschuldigd.

Belastingtarief
Het wetsvoorstel hanteert een gesplitst tarief van 0,022% over het deel van het belastbare bedrag dat ziet op kortlopende schuld en 0,011% over het deel van het belastbare bedrag dat ziet op langlopende schuld. De pro rata toerekening van het belastbare bedrag aan kortlopende en langlopende schulden vindt plaats op basis van het totaalbedrag aan schulden op de balans. Op deze manier wordt financiering met langlopende schuld relatief aantrekkelijker dan financiering met kortlopende (meer risicovolle) schuld. Kortlopende schulden voor deze wet zijn schulden die een looptijd hebben van minder dan één jaar. Langlopende schulden zijn schulden die een looptijd hebben van één jaar of langer. Een dergelijk onderscheid wordt ook in de Britse bankenbelasting gemaakt.

De genoemde tarieven worden met een factor 1,05 vermenigvuldigd ingeval de variabele beloning van ten minste één bestuurder van de belastingplichtige meer bedraagt dan 100% van de vaste beloning van deze bestuurder. Het tarief over het deel van het belastbare bedrag dat ziet op kortlopende schulden bedraagt dan dus 0,0231% en het tarief over het deel van het belastbare bedrag dat ziet op langlopende schulden 0,01155%.

Wijze van heffing
De bankenbelasting moet op aangifte worden voldaan en binnen één maand na het tijdstip waarop de belasting is ontstaan, worden betaald aan de Ontvanger. De belasting wordt in beginsel verschuldigd op de eerste dag van de tiende kalendermaand na balansdatum. Wanneer het boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar wordt de belasting dus verschuldigd op 1 oktober van het daaropvolgende jaar. De bankenbelasting zal overigens niet aftrekbaar zijn voor de vennootschapsbelasting.

Voorkoming van dubbele belasting
Afhankelijk van de vormgeving van de diverse bankenbelastingen in andere landen kan dubbele heffing ontstaan, nu buitenlandse dochtermaatschappijen van Nederlandse groepen of Nederlandse groepsdelen worden meegenomen in de heffingsgrondslag. Voorts kan ook bij de belastingheffing van bijkantoren dubbele bankenbelasting optreden. Omdat de huidige belastingverdragen niet voorzien in voorkoming van dubbele bankenbelasting moet in aanvullende regelgeving worden voorzien. Dit kan gebeuren door middel van bilaterale afspraken of eenzijdig door aanpassing van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Internationaal wordt gedacht aan terugtreden door het land waar de dochtermaatschappij of het bijkantoor is gevestigd. Dit zou voor Nederland inhouden dat indien vermogensbestanddelen van een in Nederland gevestigde dochter van een buitenlandse bank ook in de grondslag van een buitenlandse bankenbelasting zouden zijn opgenomen, Nederland voorkoming van dubbele bankenbelasting moet verlenen.