Op Prinsjesdag, 20 september 2011, heeft het kabinet de volgende vijf wetsvoorstellen ingediend bij de Tweede Kamer: het Belastingplan 2012, de Geefwet, Wet uitwerking autobrief, Wet toepassing dwangsomregeling toeslagen en de Overige fiscale maatregelen 2012. Hierna gaan wij in op de belangrijkste voorgestelde wijzigingen voor de loonheffingen, de afdrachtverminderingen en de heffingskortingen. De parlementaire behandeling van de wetsvoorstellen moet nog plaatsvinden, zodat naar aanleiding daarvan nog wijzigingen kunnen optreden. Wij zullen eerst de relevante voorstellen uit het Belastingplan 2012 behandelen en vervolgens de overige wetsvoorstellen.
Het Belastingplan 2012
1. Nieuwe tarieven 2012
|
Bij een belastbaar loon van meer dan |
Maar niet meer dan |
Belasting-
tarief |
Premies
Volksver- zekeringen. |
Premies Volksverz. 65+ |
Gecombi-
neerd tarief |
Gecombi-
neerd tarief 65+ |
|
- |
€ 18.945 |
1,95% |
31,15% |
13,25% |
33,10% |
15,20% |
|
€ 18.945 |
€ 33.863 |
10,80% |
31,15% |
13,25% |
41,95% |
24,05% |
|
€ 33.863 |
€ 56.491 |
42,00% |
|
|
42,00% |
42,00% |
|
€ 56.491 |
|
52,00% |
|
|
52,00% |
52,00% |
Verhoging premiegrens inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet
Het kabinet verhoogt de maximum premie-inkomensgrens van de inkomensafhankelijke premie van € 33.427 in 2011 naar € 50.065 in 2012. Het percentage voor de inkomensafhankelijke premie daalt van 7,75% in 2011 naar 7,10% in 2012.
2. Vitaliteitspakket
Om de arbeidsparticipatie te bevorderen is het 'vitaliteitspakket' voorgesteld. Dit pakket kent de volgende maatregelen:
Vervanging arbeidskorting ouderen en doorwerkbonus door werkbonus
- De huidige inkomensafhankelijke additionele arbeidskorting voor werknemers die 58 jaar of ouder zijn komt te vervallen.
- Met ingang van 1 januari 2013 komt er één werkbonus voor werknemers die aan het begin van het kalenderjaar ouder zijn dan 60 jaar. De werkbonus bedraagt maximaal € 2.350 en is, meer dan onder de huidige regelingen, gericht op oudere werknemers met lage inkomens.
- De doorwerkbonus voor werknemers van 62 jaar of ouder zal met ingang van 1 januari 2013 worden afgeschaft. Voorgesteld wordt om de percentages van de doorwerkbonus in 2012 als volgt te wijzigen:
|
|
2011 |
2012 |
2013: recht op werkbonus? |
|
Het jaar dat men 62 wordt |
5% |
1,5% |
ja |
|
Het jaar dat men 63 wordt |
7% |
6% |
ja |
|
Het jaar dat men 64 wordt |
10% |
8,5% |
ja |
|
Het jaar dat men 65 wordt |
2% |
2% |
ja |
|
Het jaar dat men 66 wordt |
2% |
2% |
ja |
|
Het jaar dat men 67 wordt |
1% |
1% |
ja |
Introductie vitaliteitssparen
- Het kabinet stelt met ingang van 1 januari 2013 een nieuwe spaarfaciliteit voor: het vitaliteitssparen. In tegenstelling tot de huidige levensloop- en spaarloonregeling is vitaliteitssparen een regeling in de inkomstenbelasting. De reikwijdte van deze regeling betreft alle belastingplichtigen met inkomen uit tegenwoordige arbeid (werknemers, ondernemers en resultaatgenieters).
- Volgens het kabinet is vitaliteitssparen geschikt voor situaties van (tijdelijke) inkomensachteruitgang. De voorbeelden die worden genoemd zijn: zorgverlof, studie, demotie, start van een eigen onderneming of een tijdelijke omzetdaling bij een zzp'er.
- De stortingen op een vitaliteitsrekening zullen fiscaal aftrekbaar zijn in box 1. Er wordt pas belasting geheven bij opname van het tegoed. Dit betreft een heffing door middel van inhouding door de bank of verzekeraar tegen een vast tarief van 42%. Bij de verrekening in de inkomstenbelasting zal de belastingplichtige onder omstandigheden, afhankelijk van het voor hem geldende marginale belastingtarief, ofwel aanvullend inkomstenbelasting zijn verschuldigd ofwel recht hebben op een belastingteruggaaf. De aftrekpost zal gaan leiden tot het indienen van extra aangiften inkomstenbelasting. Daarnaast wordt het (forfaitair) rendement over het opgebouwde tegoed niet belast in box 3.
- Het maximaal fiscaal gefaciliteerd op te bouwen vermogen mag in totaal € 20.000 (bruto) bedragen. Naast deze grens zal een jaarlijks aftrekbare maximuminleg van € 5.000 gaan gelden.
- Er zullen geen beperkingen gelden voor de bestedingsdoelen, zoals bij de levensloop- en spaarloonregeling wel het geval is. Tot en met het jaar waarin de deelnemer de 61-jarige leeftijd bereikt, zijn er ook geen beperkingen voor het op te nemen bedrag.
- De enige opnamebeperking zal zijn dat vanaf het jaar waarin de deelnemer de 62-jarige leeftijd bereikt, jaarlijks maximaal een bedrag van € 10.000 mag worden opgenomen. De achterliggende gedachte is de bevordering van deeltijdpensioen en de beperking van vroegtijdig voltijdpensioen. Dit is in lijn met afspraken hierover in het regeerakkoord om eerder stoppen met werken niet fiscaal te stimuleren. De opname van het tegoed moet uiterlijk plaatsvinden voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd.
Afschaffing levensloopregeling per 2012
- Aanvankelijk was het voorstel om de levensloopregeling vanaf 2012 nog open te houden voor deelnemers die op 31 december 2011 een positief saldo op hun levenslooprekening hebben staan. Vanaf 1 januari 2013 zou de levensloopregeling alleen gaan gelden voor deelnemers die voor 1 januari 2013 de leeftijd van 58 jaar hebben bereikt. Het ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid heeft echter aangekondigd dat de overgangsregeling wordt gewijzigd bij nota van wijziging.
- De gewijzigde overgangsregeling is erop gericht actief spaargedrag in het verleden te belonen. Deelnemers die op 31 december 2011 een saldo hebben van ten minste € 3.000 kunnen daarom nog blijven deelnemen aan de levensloopregeling onder de huidige voorwaarden. De leeftijd van de deelnemer is niet relevant voor toepassing van de overgangsregeling. Vanaf 2012 wordt echter geen levensloopkorting meer opgebouwd. Vanaf 1 januari 2012 kan deze deelnemer er ook voor kiezen zijn levenslooptegoed op te nemen (na inhouding van loonbelasting en verrekening van de levensloopkorting). Tot en met 2013 kunnen zij ook hun gehele opgebouwde levenslooptegoed fiscaal geruisloos omzetten in vitaliteitssparen (na verrekening levensloopkorting). Ook na 2013 mag worden doorgestort van de levensloopregeling naar vitaliteitssparen. Er geldt dan wel een maximum van € 20.000, het meerdere wordt belast.
- De overige deelnemers die op 31 december 2011 een saldo hebben van minder dan € 3.000 kunnen vanaf 1 januari 2012 niet langer deelnemen aan de levensloopregeling. Zij hebben vanaf 1 januari 2012 slechts de keuze tussen opnemen van het levenslooptegoed of vanaf 2013 omzetten in vitaliteitssparen.
- Het is niet toegestaan tegelijkertijd aan beide regelingen deel te nemen.
Afschaffing spaarloonregeling per 2012
- Ter financiering voor het vitaliteitspakket en de tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting van 6% naar 2% wordt de spaarloonregeling afgeschaft. Daarmee vervalt dus ook de eindheffing van 25% ten laste van de werkgever. In de praktijk ervaren werknemer, werkgever en banken de spaarloonregeling als een administratief omslachtige regeling. Deelnemers aan de spaarloonregeling kunnen met ingang van 1 januari 2012 hun tegoed fiscaal vrijgesteld opnemen of laten staan. In het laatste geval kunnen zij gebruik blijven maken van de vrijstelling voor spaarloon in box 3. In 2016 zal deze overgangsregeling vervallen.
Verlaging drempel aftrek scholingsuitgaven
- Ter stimulering van scholing wordt de drempel voor aftrek van scholingsuitgaven in box 1 gehalveerd van € 500 naar € 250.
3. Uitbreiding vrijwillige voortzetting pensioenregeling
Voor (ex-)werknemers die na hun ontslag hun pensioenregeling vrijwillig voortzetten, geldt momenteel een fiscale regeling waardoor voor een periode van maximaal drie jaar na ontslag ook voor deze vrijwillige opbouw van pensioen een faciliteit geldt. Voorgesteld wordt deze termijn uit te breiden van drie naar tien jaar na ontslag. Dit is in lijn met de maximumtermijn voor vrijwillige voortzetting in de Pensioenwet. In aanvulling daarop wordt het pensioengevend loon na het derde jaar gemaximeerd op actuele inkomensgegevens, met als bovengrens het laatstverdiende pensioengevend loon in de periode tot ontslag. Deze wijziging zal verder worden uitgewerkt in een later in 2011 uit te brengen wijzigingsbesluit op het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.
4. Uitbreiding reikwijdte afdrachtvermindering onderwijs
De afdrachtvermindering onderwijs is momenteel niet van toepassing indien de opleiding in het buitenland wordt gevolgd. Dit werkt belemmerend en daarom wordt de regeling met ingang van 1 januari 2012 uitgebreid. De wijziging houdt in dat bepaalde varianten van de afdrachtvermindering onderwijs ook worden toegekend aan inhoudingsplichtigen die een persoon in dienst nemen die elders in de EU of EER een opleiding volgt die vergelijkbaar is met de Nederlandse opleiding die kwalificeert voor de afdrachtvermindering onderwijs. De inhoudingsplichtige moet beschikken over een verklaring van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW).
5. Maatregelen 30%-regeling
De 30%-regeling is een fiscale faciliteit voor werknemers die vanuit het buitenland naar Nederland komen en over een specifieke deskundigheid beschikken die schaars is op de Nederlandse arbeidsmarkt. De extra kosten van het verblijf buiten het land van herkomst (extraterritoriale kosten) mogen aan deze ingekomen werknemers onbelast worden vergoed. Deze vergoeding mag echter ook forfaitair worden vastgesteld op 30% van het loon. Aangezien hierdoor slechts 70% van het loon in de heffing wordt betrokken, ontstaat een belastingvoordeel.
Het belastingplan stelt drie belangrijke wijzigingen voor met betrekking tot de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de 30%-regeling (zie ook onze eerdere berichtgeving hierover):
1. Het specifiekedeskundigheidscriterium
De belangrijkste voorwaarde is dat de ingekomen werknemer beschikt over een specifieke deskundigheid die schaars is op de Nederlandse arbeidsmarkt. Onder de huidige regeling wordt dit getoetst op basis van feiten en omstandigheden. Van belang zijnde factoren zijn onder andere de opleiding en werkervaring. In de nieuwe regeling wordt een salarisnorm geïntroduceerd: een ingekomen werknemer zal alleen kwalificeren voor de regeling wanneer het fiscale loon – dus exclusief de onbelaste 30%-vergoeding – ten minste € 50.619 bruto per jaar bedraagt. Deze norm is gekoppeld aan de kennismigrantenregeling voor het verkrijgen van een werkvergunning. Overigens betreft het hier de salarisnorm voor de categorie werknemers van 30 jaar en ouder.
Promovendi aan Nederlandse en buitenlandse universiteiten die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt en na hun promotieonderzoek in Nederland blijven of gaan werken, komen voortaan in aanmerking voor de regeling. Momenteel kwalificeren zij vaak niet als ingekomen werknemer, omdat zij al in Nederland woonachtig waren op het moment van indiensttreding. Bovendien wordt voor deze groep een verlaagde salarisnorm gehanteerd (een fiscaal jaarloon van ten minste € 26.605).
2. Uitbreiding van de kortingsregeling
De 30%-regeling wordt toegekend voor de periode van 10 jaar. Indien een ingekomen werknemer eerder in Nederland heeft verbleven of is tewerkgesteld, worden deze eerdere perioden gekort op de toekenningsduur. Onder de huidige regeling wordt voor deze kortingsregeling een toetsperiode van 10 jaar gehanteerd. Perioden van verblijf of tewerkstelling die meer dan 10 jaar geleden zijn geëindigd, worden in beginsel niet in aanmerking genomen. In de nieuwe regeling wordt de toetsperiode verlengd tot 25 jaar. Deze wijziging is voornamelijk van belang voor Nederlanders, omdat zij doorgaans niet langer dan 25 jaar buiten Nederland hebben gewoond en gewerkt.
3. Grensarbeiders uitgesloten van de 30%-regeling
Werknemers die woonachtig zijn binnen een straal van 150 kilometer van de Nederlandse grens komen niet langer in aanmerking voor de 30%-regeling. Deze nieuwe toets wordt geïntroduceerd om verdringing van Nederlanders op de arbeidsmarkt in de grensstreek tegen te gaan.
De uitsluiting van grensarbeiders is van belang voor werknemers uit België en de grensstreek van Duitsland, omdat zij niet langer in aanmerking komen voor de regeling.
Overgangsregeling
Reeds afgegeven 30%-regelingen zullen in beginsel worden geëerbiedigd. De huidige regelgeving biedt de inspecteur met ingang van het zesde jaar van de looptijd echter wel de mogelijkheid de inhoudingsplichtige te verzoeken aannemelijk te maken dat de werknemer nog steeds moet worden aangemerkt als ingekomen werknemer in de zin van de 30%-regeling. Als dat toetsmoment na 1 januari 2012 is gelegen, gelden wel de nieuwe voorwaarden voor de specifieke deskundigheid. Ook geldt dan tevens de voorwaarde dat de werknemer op het moment van indiensttreding niet woonachtig mag zijn geweest binnen een straal van 150 kilometer van de Nederlandse grens. Werknemers die de 30%-regeling op 1 januari 2012 echter al langer dan vijf jaar toepassen, zijn dit toetsmoment al gepasseerd en zullen voor de resterende looptijd recht houden op de 30%-regeling. De vastgestelde looptijd van een voor 1 januari 2012 afgegeven 30%-beschikking zal na 1 januari 2012 niet op grond van de nieuwe regelgeving worden bijgesteld. De verruimde kortingsregeling gaat dus alleen gelden voor nieuwe gevallen.
6. Aanpassing afdrachtvermindering S&O: verlaging loongrens eerste schijf
De afdrachtvermindering Speur- & Ontwikkelingswerk (hierna: afdrachtvermindering) is een fiscale tegemoetkoming voor inhoudingsplichtigen die speur- en ontwikkelingswerk (hierna: S&O) verrichten. Deze stimuleringsmaatregel is vormgegeven als een korting op de af te dragen loonheffingen. Om hiervoor in aanmerking te komen dient de betreffende inhoudingsplichtige wel te beschikken over een zogenaamde S&O-verklaring. Om budgettechnische redenen worden de loongrenzen en percentages ieder jaar aangepast. Voor het jaar 2012 bedraagt de afdrachtvermindering:
· 42% (2011: 50%) van de eerste € 110.000 (2011: € 220.000) aan S&O-loon van de inhoudingsplichtige;
· 60% (2011: 64%) van de eerste € 110.000 (2011: € 220.000) aan S&O-loon voor een startende inhoudingsplichtige;
· 14% (2011: 18%) van het resterende S&O-loon;
De afdrachtvermindering bedraagt per inhoudingsplichtige maximaal € 14.000.000 per kalenderjaar (2011: € 8.500.000). Vanaf 2013 zal het maximumbedrag worden verlaagd naar € 8.500.000. De loongrens in de eerste schijf wordt dan € 150.000 en het percentage 45. Voor starters blijft het percentage in de eerste schijf op 60.
7. Werkkostenregeling
In het Belastingplan 2012 worden geen wijzigingen voorgesteld voor de werkkostenregeling. In het najaar komt een eerste evaluatie. Mogelijk vinden naar aanleiding hiervan nog aanpassingen plaats aan de werkkostenregeling. Deze zullen worden verwerkt in het Belastingplan 2013.
8. Wet uniformering loonbegrip
De invoering van de Wet uniformering loonbegrip is om technische redenen uitgesteld tot 1 januari 2013. Vooralsnog zijn geen wijzigingen beoogd.
De Geefwet
Voorgesteld wordt om de kring van instellingen waarop de vrijwilligersregeling van toepassing is in de Wet op de loonbelasting 1964 te verruimen. Met ingang van 1 januari 2012 is de vrijwilligersregeling van toepassing op alle algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s), ook als deze zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting. De vrijwilligers die niet meer dan € 150 per maand en € 1.500 per kalenderjaar ontvangen, zijn dan niet in dienstbetrekking bij de ANBI.
Dit is in lijn met de doelstelling van de Geefwet, die erop is gericht meer ruimte te bieden voor commerciële activiteiten bij goededoelenorganisaties.
De Wet uitwerking autobrief
Een van de speerpunten van het kabinet is de fiscale stimulering van de aanschaf en het gebruik van zuinige auto’s. Als sprake is van een auto van de zaak leidt het rijden in een zuinige auto tot een fiscaal lagere bijtelling voor privégebruik in de sfeer van de loon- en inkomstenbelasting. De stimulerende maatregelen zijn echter zo succesvol dat de overheid veel belastinginkomsten misloopt.
Om enerzijds een gat in de begroting te voorkomen en anderzijds aan te sluiten bij het oorspronkelijke doel dat alleen de echt zuinige auto’s worden gestimuleerd, wenst het kabinet zijn fiscale stimuleringsbeleid per 1 juli 2012 aan te scherpen.
Bijtelling loonbelasting/inkomstenbelasting
De bijtelling voor het privégebruik van de auto van de zaak zal aansluiten bij de verscherping van de schijven in de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (de BPM).
De bijtelling op basis van CO2-uitstoot zal in de jaren vanaf 1 juli 2012 tot en met 2015 als volgt worden aangepast:
|
|
Benzine (gram CO2/km) |
Diesel (gram CO2/km) |
|
1 juli 2012:
14% bijtelling
20% bijtelling
25% bijtelling |
< 103
103-132
> 132 |
< 92
92-114
> 114 |
|
1 januari 2013:
14% bijtelling
20% bijtelling
25% bijtelling |
< 96
96-124
> 124 |
< 89
89-112
> 112 |
|
1 januari 2014:
14% bijtelling
20% bijtelling
25% bijtelling |
< 89
89-117
> 117 |
< 86
86-111
> 111 |
|
1 januari 2015:
14% bijtelling
20% bijtelling
25% bijtelling |
< 83
83-110
> 110 |
< 83
83-110
> 110 |
Naast deze aanscherping van de zuinigheidsgrenzen op basis waarvan een verlaagde bijtelling kan worden toegepast, wordt ook voorgesteld de periode te beperken waarbinnen deze verlaagde bijtelling van toepassing is. Onder de huidige wetgeving geldt dat de aanscherpingen van de zuinigheidsgrenzen alleen zullen gelden voor auto’s waarvan het kenteken na de (eerste) aanscherping voor het eerst op naam wordt gesteld. In de voorgestelde systematiek zal de periode dat men na een aanscherping van de zuinigheidsgrenzen nog een verlaagd bijtellingspercentage kan toepassen worden teruggebracht tot 60 maanden (de veronderstelde gemiddelde duur van een leasecontract). Aan het einde van iedere periode van 60 maanden wordt bekeken of de auto opnieuw in aanmerking komt voor een verlaging van het bijtellingspercentage.
Voor auto’s met een CO2-uitstoot van niet meer dan 50 gr/km geldt vanaf 1 januari 2012 tot en met 2015 een nihiltarief voor de bijtelling. Een auto die in de periode tot 31 december 2015 op kenteken wordt gezet en die dan kwalificeert voor de nihilbijtelling, behoudt deze nihilbijtelling voor een periode van 60 maanden. Voor nulemissieauto’s die al voor 1 januari 2012 zijn aangeschaft wordt de nihilbijtelling uitgebreid tot en met 2016.
Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’s
De werknemer aan wie een bestelauto als bedoeld in de BPM ter beschikking is gesteld die niet voor privédoeleinden wordt gebruikt, kan met ingang van 1 januari 2012 verzoeken om een 'Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto'. Het verzoek daartoe wordt door de werknemer via de inhoudingsplichtige aan de inspecteur gedaan. Wanneer de werknemer de bestelauto wel voor privédoeleinden gaat gebruiken, dan moet hij via de inhoudingsplichtige de verklaring bij de inspecteur intrekken. Vermoedt de inhoudingsplichtige privégebruik van de bestelauto, dan informeert hij de inspecteur. Er zullen nog regels worden gesteld in welke gevallen werknemer en inhoudingsplichtige zijn gehouden de inspecteur te informeren.
De Belastingdienst zal onder meer aan de hand van camerabeelden toezicht houden. Als de inspecteur een vermoeden heeft van privégebruik van de bestelauto, kan hij de werknemer en de inhoudingsplichtige vragen aan te tonen dat de betreffende rit zakelijk was. Slagen zij daar niet in, dan wordt aan de werknemer een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd. Deze aanslag wordt opgelegd aan de inhoudingsplichtige indien deze weet dat de werknemer de bestelauto voor privédoeleinden gebruikt en wanneer de inhoudingsplichtige niet direct meldt dat de werknemer de verklaring nog niet heeft ingetrokken.
Er zullen nadere regels worden gesteld aan de hand waarvan de Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto wordt afgegeven en ingetrokken. Dit geldt ook voor ontvangstbevestigingen die de inspecteur stuurt.
Overige fiscale maatregelen 2012
1. Jaarloonuitvraag
De tijdelijke regeling voor de uitvraag van loongegevens wordt met ingang van 1 januari 2012 omgezet in een definitieve regeling. Een inhoudelijke wijziging is niet beoogd.
2. Loon in, loon over
De tijdelijke ‘loon over-regeling' wordt omgezet in een structurele regeling. Op basis van deze regeling kan loon dat in 2012 wordt betaald maar dat betrekking heeft op al verstreken loontijdvakken, binnen het kalenderjaar 2012 worden toegerekend aan het tijdvak van uitbetaling. Voorwaarde is dat door inhoudingsplichtigen een bestendige gedragslijn wordt gevolgd.
3. Afdrachtvermindering onderwijs (verduidelijking)
Wanneer de inhoudingsplichtige en het (erkend) leerbedrijf niet dezelfde entiteit zijn, kan de afdrachtvermindering worden toegepast als een overeenkomst van opdracht is gesloten tussen de inhoudingsplichtige en het erkend leerbedrijf. Daarin is onder meer vastgelegd dat het voordeel van de afdrachtvermindering toekomt aan het leerbedrijf. De regeling geldt voor overeenkomsten van opdracht die ingaan op of na 1 januari 2012.
4. Informatieverplichting Verklaring geen privégebruik auto
Het kabinet heeft voorgesteld om het niet nakomen van de informatieverplichting bij onder andere de Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto en de Verklaring geen privégebruik auto te kunnen beboeten met een vergrijpboete van maximaal 100% van de onterecht niet-geheven loonheffing.
5. Vergrijpboete na verzuimboete bij nieuwe bezwaren
Op grond van jurisprudentie kan niet tweemaal een fiscale boete worden opgelegd voor hetzelfde feit. Dit vloeit voort uit het ne bis in idem-beginsel. Toch wordt voorgesteld om de inspecteur de mogelijkheid te bieden na de (vaak geautomatiseerde) oplegging van een verzuimboete alsnog een vergrijpboete op te leggen wanneer 'nieuwe bezwaren' aanwezig zijn die leiden tot opzet of grove schuld. De eerder opgelegde verzuimboete wordt dan verrekend met de later alsnog opgelegde vergrijpboete. Hiermee wordt voorzien in een alternatief voor het instellen van strafvervolging in dergelijke gevallen. Naar verwachting zal de voorgestelde regeling voornamelijk toepassing vinden bij de boeten wegens het (gedeeltelijk) niet of niet tijdig betalen van een aangiftebelasting, zoals de loonbelasting.
6. Bestuurders van beursvennootschappen
Door de Wet bestuur en toezicht die per 1 januari 2012 van kracht wordt, worden bestuurder van beursgenoteerde vennootschappen niet langer geacht een civielrechtelijke dienstbetrekking te hebben. Het niet langer hebben van een civielrechtelijke dienstbetrekking heeft ook direct invloed op de positie van die bestuurders voor de loonbelasting en premies werknemersverzekeringen. Omdat voor de toepassing van de loonbelasting en de premies werknemersverzekeringen in principe wordt aangesloten bij het hebben van een civielrechtelijke dienstbetrekking zouden de betreffende bestuurders voor de toepassing van die wetten niet langer als werknemer kwalificeren, waardoor er dus ook geen inhoudingsplicht en verzekeringsplicht meer zou bestaan voor die werknemers. Dat vond de wetgever onwenselijk en dus geldt vanaf 1 januari 2012 dat bestuurders van een beursgenoteerde vennootschappen geacht worden in een fictieve dienstbetrekking te staan tot de beursgenoteerde vennootschap.